Het Duitse kabinet heeft op 17 december 2003 het wetsvoorstel tot wijziging van de Erneuerbare Energien Gesetz (EEG, Wet Duurzame Energiebronnen) aangenomen. Na de parlementaire behandeling zal de wetswijziging naar verwachting op z’n vroegst medio 2004 in werking treden.
Milieuminister Jürgen Trittin en minister van Economische en Sociale Zaken Wolfgang Clement bereikten in november 2003 een principeovereenstemming over een wijziging van de in 2000 ingevoerde EEG. Inzet van minister Trittin bij de wijziging van het EEG was een intensivering van het stimuleringsbeleid voor duurzame energie en de bevordering van een zo groot mogelijke variatie aan duurzame energiebronnen door meer ondersteuning van energiebronnen die zich thans nog in een vroege ontwikkelingsfase bevinden en derhalve economisch nog niet rendabel zijn.
Minister Clement maakte zich vooral sterk voor uitbreiding van de compensatieregeling voor stroomintensieve ondernemingen. De compensatieregeling is nodig omdat de subsidiëring van de duurzame energiebronnen wordt gefinancierd uit een heffing op de algemene stroomprijs. Naar schatting bedragen de kosten voor de subsidiëring van de groene stroom thans zo’n € 1,7 miljard. per jaar. Met het oog op de stroomprijzen maakte de Duitse regering vorig jaar bekend dat de steen- en bruinkolencentrales voor de langere termijn nog een belangrijk aandeel zullen houden in de Duitse stroomvoorziening. Ondanks de € 17 miljard. subsidie voor de kolenindustrie tot aan 2012, moet de brede energiemix, inclusief kolen, er voor zorgen dat de stroomprijzen in Duitsland betaalbaar blijven, aldus de Duitse regering.
Het duurzame energiebeleid van de Duitse regering (de regeringspartijen SPD en Groenen zijn het hierover eens) moet ertoe leiden dat het aandeel groene stroom in de totale stroomvoorziening van thans 8 procent in 2010 uitkomt op 12,5 procent. In 2020 moet het aandeel duurzame energie (inclusief gas) nog verder stijgen naar een aandeel van 20 procent. De kosten voor de subsidiëring van de groene stroom zullen waarschijnlijk navenant toenemen.
De geplande wijzigingen laten de systematiek van de huidige wet (aansluitings- en afnameplicht en vastgestelde vergoedingen) onaangetast. Veranderingen zijn er vooral bij de hoogte van de vergoedingen voor de verschillende soorten groene stroom. De hoogte van de nieuwe vergoedingen voor wind-, zonne- en biomassaenergie is reeds vastgesteld. Ten aanzien van verhoging van de vergoedingen voor de overige duurzame energiebronnen zoals onder meer waterkracht en geothermische energie bestaat een principe-overeenstemming. De precieze vergoedingen zijn nog niet bekend maar zullen uit het hogergenoemde wetsvoorstel blijken.
Degressieve subsidiëring De extra vergoeding die producenten voor groene stroom ontvangen wordt degressief. Jaarlijks zal de verhoogde vergoeding voor stroom uit nieuwe installaties met 1 tot 2 procent worden verminderd, waarmee een prikkel voor kostenbesparing en efficiëntieverhoging wordt gegeven. Op termijn moeten de producenten van groene stroom voldoende concurrentiekracht hebben ontwikkeld om zich zonder ondersteuning op de markt te kunnen handhaven. Milieuminister Trittin had oorspronkelijk een degressiefactor van 1,5 procent voorgesteld. Minister van economische en sociale zaken Clement wil dat de producenten van groene stroom zich sterker inzetten voor de export van hun technieken zodat deze sector eerder op eigen benen kan staan. De export van de Duitse duurzame energietechnologie valt vooralsnog tegen.
Compensatieregeling In juli 2003 werd reeds een eerste compensatieregeling ingevoerd voor stroomintensieve ondernemingen. Deze voorlopige regeling, die compensatie regelt voor bedrijven die meer dan 100 GWh stroom per jaar verbruiken, geldt nog tot juli 2004. De compensatieregeling zal met de wijziging van de EEG worden gehandhaafd en bovendien worden uitgebreid. Alleen bedrijven met een jaarlijks stroomverbruik van meer dan 10 GWh komen na de wetswijziging in aanmerking voor compensatie. Omdat de lasten van de EEG-regeling hierdoor alleen op kleine bedrijven en particulieren worden afgewenteld, is bepaald dat de extra kosten voor deze stroomverbruikers maximaal met 10 procent mogen stijgen.
Geplande vergoedingen voor windenergie De subsidiëring van windenergie zal zich in de toekomst vooral richten op installaties in windrijke gebieden aan de kust en op zee. In tegenstelling tot windturbines in het binnenland, kunnen nieuwe installaties in windrijke gebieden ook in de komende jaren nog op ruime vergoedingen rekenen. De basisvergoeding voor windenergie wordt met 0,5 cent verlaagd van 6 cent naar 5,5 cent per kWh. De verhoogde vergoeding wordt verlaagd met 0,1 cent van 8,8 cent naar 8,7 cent per kWh. Voor windenergie geproduceerd door off-shore installaties die tot 2010 in bedrijf worden genomen, wordt minimaal twaalf jaar lang een (nieuw ingevoerde) hoogste vergoeding van 9,1 cent per kWh gegeven. De subsidieregeling voor ‘repowering’ van bestaande installaties in windrijke kustgebieden zal worden verbeterd met hogere vergoedingen voor het vervangen van verouderde installaties door modernere installaties met meer rendement.
Geplande vergoedingen voor zonne-energie
- basisvergoeding - 45,7 cent per kWh
- toeslag voor installaties op gebouwen met vermogen tot 30 kW - 11,7 cent per kWh
- toeslag voor installaties op gebouwen met vermogen groter dan 30 kW - 8,9 cent per kWh
- toeslag voor installaties op gebouwen met vermogen groter dan 100 kW - 8,3 cent per kWh
- extra toeslag voor gevelinstallaties - 5,0 cent per kWh.
Het sinds 2000 bestaande ‘100.000-Dächer-Solar-Strom’-programma liep in 2003 ten einde. De gewijzigde Erneuerbare Energien Gesetz zal naar verwachting pas in de loop van 2004 in werking treden. Om een breuk met het bestaande stimuleringsprogramma voor zonne-energie te voorkomen, gelden op basis van een separate wettelijke regeling de nieuwe vergoedingen voor zonne-energie reeds per 1 januari 2004.
Geplande vergoedingen voor biomassa
basisvergoeding installaties tot 150 kW - 11,5 cent per kWh
toeslag voor installaties tot 5 MW die bovendien plantenresten of gier gebruiken - 2,5 cent per kWh
toeslag voor installaties tot 5 MW die innovatieve technieken (bijvoorbeeld brandstofcellen) inzetten - 1,0 cent per kWh
Geplande vergoedingen voor waterkracht De vergoeding voor stroom uit waterkrachtinstallaties met een vermogen tot 5 MW blijft gehandhaafd. Ook voor kleine, nieuw gebouwde installaties met een vermogen tot 500 kW die verbonden zijn aan reeds bestaande stuwen of waterkeringen geldt de vergoeding indien een goede ecologische situatie wordt bewerkstelligd. Kleine installaties met een vermogen tot 500 kW die niet zijn verbonden met stuwen of waterkeringen, vallen evenwel alleen nog onder de EEG, indien de vergunning voor de installaties vóór 31 december 2005 wordt afgegeven.
- installatie met vermogen tot 500 kW - 7,67 cent per kWh
- installatie met vermogen tot 5 MW - 6,65 cent per kWh
Nieuw is de vergoeding voor grote waterkrachtinstallaties met een vermogen tot 150 MW. Indien door uitbreiding van de installatie het vermogen met minstens 15 procent wordt vergroot en een goede ecologische situatie wordt bewerkstelligd, wordt een vergoeding gegeven voor de extra geproduceerde hoeveelheid stroom.
Geplande vergoedingen voor geothermische energie
- installatie met vermogen tot 5 MW - 15,0 cent per kWh
- tot 10 MW - 14,0 cent per kWh
- tot 20 MW - 8,95 cent per kWh
- vanaf 20 MW - 7,16 cent per kWh
Geplande vergoedingen voor biogas en mijngas De vergoeding voor de stroom uit aardwarmte zal aanmerkelijk verhoogd worden. In november 2003 is de eerste stroomproducerende aardwarmteinstallatie in Duitsland in gebruik genomen. Stroomproductie uit biogas en mijngas met brandstofcellen kan op een bonus rekenen.
- installatie met een vermogen tot 500 kW - 7,67 cent per kWh
- installatie met een vermogen tot 5 MW - 6,65 cent per kWh
- installatie vanaf 5 MW (alleen mijngas) - 6,65 cent per kWh
- bonustoepassing van brandstofceltechniek - 1,00 cent per kWh
Bronnen
http://www.erneuerbare-energien.de |